Geen nieuwe winkels in het buitengebied

Geplaatst op:
21-07-2016

De winkelmarkt is in rep en roer. Overheden en marktpartijen slaan de handen ineen om de leegstand te bestrijden. Maar de huidige ontwikkelingen zijn niet te stoppen. Volgens Jan Fokkema moet de overheid een strenge arbiter zijn.

Winkelen kreeg gaandeweg steeds meer een vorm van vrijetijdsbesteding. Consumenten verwachten meer vermaak en beleving. Voor die ultieme ervaring zijn zij bereid langere afstanden te overbruggen. Zij laten binnensteden en andere winkelgebieden die niet genoeg te bieden hebben, links liggen. We kiezen naar behoefte hoe en waar we aankopen doen.

Winkelconcentraties

Dat zet de hiërarchische ruimtelijke structuur van winkelconcentraties, die sinds de Tweede Wereldoorlog is ontwikkeld, flink onder druk. De eis dat elk huishouden de dagelijkse boodschappen moest kunnen doen binnen een straal van 400 meter leidde tot onze fijnmazige winkelstructuur.

Ons tegen deze ontwikkelingen keren, heeft geen zin. Afremmen van innovatieve retailondernemers in het fysieke domein om ‘bestaande winkels te behouden’ of ‘werkgelegenheid voor de middenstand te beschermen’ is geen houdbare stelling. Maar we kunnen en moeten wel degelijk sturen. Zeker waar het om de plaats van de ontwikkelingen gaat, ook – en dat is lastiger – in mate en tempo waarin.

Gezien de ruimte die in winkelcentra is en zal ontstaan, is het onverstandig nieuwe winkels buiten bestaand stedelijk gebied te realiseren. In de stadscentra kregen de Primarks, Media Markten en andere grote retailformules volop kansen. Natuurlijk is dat voor hen aanzienlijk duurder, maar dat is geen argument om daarvoor ruimte buiten bestaand stedelijk gebied beschikbaar te stellen. Daar ligt een taak voor overheden, provincies en gemeenten.

Concurreren op kwaliteit

Complexer zijn initiatieven in bestaand stedelijk gebied. Neem Leidschenhage, waar een verouderd winkelcentrum moet wijken voor een mega mall. Retailers en winkelgebieden tot Leiden aan toe zullen aan de bak moeten om hiermee te concurreren. Wat mij betreft zijn er geen argumenten om die ondernemers te beschermen. Evenmin geldt dat voor investeringen van de vastgoedeigenaren of voor de vele concurrerende plannen van ontwikkelaars.

In onze markteconomie vertrouwen we erop dat vrije concurrentie ondernemers ertoe dwingt maximaal op de wensen van de consument in te spelen. Maar waar collectieve belangen in het geding zijn, moeten grenzen worden gesteld en kunnen overheden en marktpartijen de handen ineenslaan om de negatieve effecten optimaal te ondervangen.

Omgevingsvisie

Binnenstedelijke, grootschalige ontwikkelingen hebben gevolgen voor collectieve voorzieningen en voor de burger. Grotere mazen in de winkelhiërarchie dwingen consumenten zich altijd over grotere afstanden te verplaatsen. Nieuwe grote winkelconcentraties leiden tot overlast voor direct omwonenden en dwingen gemeenten tot aanpassingen van infrastructuur, openbaar vervoer, parkeervoorzieningen, onderhoud en beheer. En aan de andere kant: leegstand, die door vernieuwing elders ontstaat, dwingt de overheid tot ingrepen en maatregelen om nieuwe functies te accommoderen en de leefbaarheid te beschermen.

Kortom: nieuwe grootschalige retailers of nieuwe vestigingen van winkels in bestaand stedelijk gebied toestaan, heeft collectieve lasten tot gevolg die niet geheel of deels op individuele retailers of vastgoedeigenaren zijn af te wentelen. Daarvoor ontbreekt een systeem en de vraag is ook of dat gewenst zou zijn. Maar het dwingt gemeenten en regio’s wel op professionele wijze na te denken over welke ruimte zij aan het bedrijfsleven wil schenken en welke niet. In omgevingsvisies moeten gemeenten vastleggen hoe zij denken om te gaan met nieuwe ontwikkelingen, wat zij wel en niet willen faciliteren. En in concrete situaties dienen zij hun afwegingen streng doch rechtvaardig en ook publiekelijk inzichtelijk te maken. Daarbij mogen economische belangen en bescherming tegen concurrentie geen enkele rol spelen.

Een zware taak voor provincies en (samenwerkende) gemeenten dus. Zij moeten niet aarzelen de kennis en kunde van ondernemers intensief te benutten, maar de afweging moet op basis van heldere criteria noodzakelijkerwijs een politieke zijn. Een onafhankelijke, professionele adviescommissie, zoals vorig jaar in de provincie Zuid-Holland geïnstalleerd, kan daarbij een belangrijke ondersteunende rol spelen.

bron : Cobouw